Instagram LinkedIn Tekstnet
 
 
Petra Davids 21 09 2010 blogs
 

Ik spreek geen Chinees!

zaterdag 9 juni 2012

Als tekstschrijver ben je totaal afhankelijk van je computer: de bron van informatie, de toegang tot de virtuele wereld, de poort naar alle sociale media. Het leven van een schrijver en redacteur staat of valt bij het goed functioneren van zijn pc.

Twee weken geleden crashte mijn computer. Eind december had ik het apparaat aangeschaft, dus wat mij betreft valt dat onder de categorie ‘net nieuw’. Toen ik de machine ter reparatie aanbood bij de leverancier, reageerde de medewerker: “In het slechtste geval moet-ie terug naar de fabriek voor een nieuwe harde schijf, bent u al uw gegevens kwijt én duurt het zo’n vier à vijf weken voordat u de computer terug heeft.” Een dag later kreeg ik een telefoontje: het worst case scenario was uitgekomen na een analyse van de harde schrijf. Mijn pc ging retour fabrikant.

Natuurlijk ging ik de strijd aan met de medewerker van de computerzaak. “Hoe kan een pc na zo’n korte tijd het al begeven?" “Ach, mevrouwtje,” zei hij schouderophalend, “dat gebeurt dagelijks!” Verbijsterd over het gemak waarmee hij dat zei, riep ik uit: “Ja, maar het is mij nog nooit gebeurd!” “Mag ik dan de oude harde schijf terug, wanneer de computer gerepareerd is?” “Nee, dat doen we nooit. De fabrikant vernietigt de schijf.” Wat een starheid! “En dat moet ik dan maar vertrouwen?!” Weet ik veel wat ze daar uitspoken met die schijf. “En je collega had gezegd dat we een leenlaptop konden krijgen.” “Nou, dan is hij wel heel voortvarend geweest. Dat doen we alleen in hele uitzonderlijke situaties.” “Maar dit is toch een hele uitzonderlijke situatie?” Bij iedere vraag liep ik bij deze man aan tegen een betonnen muur van onbegrip. Hij wilde niet meedenken en hij zat op een totaal andere golflengte dan ik. Alsof hij Chinees sprak.

Ik kreeg hetzelfde gevoel als die keer dat Peter, mijn partner, en ik in de miljoenenstad Nanjing waren. Met the rough guide in de hand stonden we voor het loket in een enorm station. We wilden een treinticket naar Beijing kopen en ik wees het Chinese zinnetje voor soft seat, een soort eerste klas, aan in het boek. Vervolgens stak ik twee vingers op, om duidelijk te maken dat ik twee kaartjes nodig had. De dame achter de balie schudde echter haar hoofd en ze zei zoiets als ‘meo’. Hoezo ‘meo’? Waarom kunnen we niet twee treinkaartjes kopen? Ik probeerde het nogmaals. Dit keer gebruikte ik nog meer gebarentaal, pakte het boekje met plaatjes erbij, wees op een treinstoel en daarna op Peter en mijzelf. “Two”, zei ik. Opnieuw hoorden we haar ‘meo’ zeggen en wederom schudde ze haar hoofd. Ik voelde de boosheid in me opkomen. Wat een starre vrouw! Waarom denkt ze niet een beetje met ons mee? Na een derde poging liepen we pissig naar buiten. Wat nu? Hoe komen we hier ooit weg? Dit was precies waar ik bang voor was toen we voet op Chinese bodem zetten. Niet dezelfde taal spreken, geen flexibele houding van de mensen, onbegrip.

Gelukkig was er nog een ander treinstation in de stad. Daar aangekomen deden we een nieuwe poging. Ook daar liet de stationsmedewerker ons duidelijk weten dat we geen kaartje konden kopen. Een jong Chinees meisje naast ons vroeg in haar beste Engels: “Can I help you?” Er ging een zucht van verlichting door me heen! Iemand die onze taal sprak, die ons wilde begrijpen, die wilde helpen en met ons meedacht. En wat bleek? Er waren inderdaad geen soft seat treinkaartjes te koop om van de zuidelijke naar de noordelijke hoofdstad van China te reizen. De enige tickets waren ‘soft sleepers’… Dus kochten we, met behulp van het aardige meisje, twee kaartjes voor de nachttrein naar Beijing.